Handleiding DataWijzer Basisonderwijs¶
Samenvatting / Doel (max. 3 zinnen).
Disclamer¶
De DataWijzer is een instrument met als doel inzichten te genereren aan de hand van schooleigen data, in een interactie tussen de Vlaamse Onderwijsinspectie (VOI) en andere onderwijsprofessionals.
De data worden verkregen door een samenwerking met verschillende entiteiten van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
De informatie weergegeven in de DataWijzer is dynamisch en wijzigt doorheen de tijd.
De VOI gebruikt de data zoals ze ter beschikking is binnen het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming.
De VOI verwerkt de data ‘as-is’ met de grootste zorg. Indien de DataWijzer ondanks deze zorg niet voldoet aan de verwachtingen van de gebruikers dan trachten we dit steeds in overleg bij te sturen.
Gezien de verordeningen uit de GDPR-wetgeving mag de datawijzer enkel gebruikt worden voor interne kwaliteitszorg.
De VOI heeft het auteursrecht van alle beelden gegenereerd door de DataWijzer.
De data die in de Datawijzer gebruikt worden, kunnen niet gedownload worden, aangezien anders buiten de schooleigen data ook gegevens van andere scholen zichtbaar worden.
Ondersteuning bij het gebruik van de DataWijzer¶
Tijdens een periode van doorlichten, de week voordien en de week erna, kan een school met vragen over de DataWijzer terecht bij de Onderwijsinspectie. Hiervoor wordt best contact opgenomen met de teamcoördinator van het doorlichtingsteam. De Pedagogische begeleidingsdiensten hebben zich geëngageerd om - los van een doorlichting - de eerstelijnsondersteuning bij het gebruik van de DataWijzers op zich te nemen. De Onderwijsinspectie en de begeleidingsdiensten staan in nauw contact en hebben regelmatig overleg. Bij een vraag wenden scholen zich dus tot de betreffende begeleidingsdienst.
Frequentie van updates¶
De DataWijzers worden geüpdatet naar aanleiding van teldata.
- medio november naar aanleiding van de teldatum 1 oktober
- medio maart naar aanleiding van de teldatum 1 februari
- tijdens de zomervakantie naar aanleiding van correcties op de data
OPGELET: OKI-cijfers lopen meestal 1 schooljaar, soms 2 schooljaren, achter omwille van verificatie
Toegang tot de DataWijzer¶
Dit onderdeel geeft een beknopt overzicht van de verschillende dashboards en hun belangrijkste doelstellingen. We lichten per dashboard de kernindicatoren, doelgroep en typische gebruikssituaties toe, zodat je snel het juiste overzicht vindt.
Themabeheer in het Gebruikersbeheer via “Mijn Onderwijs”¶
Je krijgt toegang tot Datawijzer als je het recht “Mijn Onderwijs Portaal Beheerder” hebt of het recht “Mijn Onderwijs Gebruiker” met het thema “Doorlichting (openbaar)”. Je krijgt niet onmiddellijk toegang tot de DataWijzer. Het bijwerken van de toegangsrechten in de DataWijzer gebeurt dagelijks om 04.00 u. Je hebt pas toegang na de eerstvolgende bijwerking.
Meer info via de pagina Toegang TOT MIJN ONDERWIJS
Persoonlijke toegang tot de DataWijzer¶
Via onderstaande links kunnen personeelsleden van een bepaald instellingsnummer (die via bovenstaande procedure toegang kregen) aan de DataWijzer(s) van alle vestigingsplaatsen waar leerlingen van betreffende instelling school lopen of liepen: Basisonderwijs: https://datawijzer.onderwijsinspectie.be/bao
OPGELET: Het kan nodig zijn om het cache-geheugen van de internetbrowser leeg te maken om toegang te krijgen tot de vernieuwde DataWijzer. Als u problemen ondervindt om in te loggen via de link is dit wellicht de reden.
De begrippen instelling, vestigingsplaats en UNIT¶
Een onderwijsinstelling staat onder leiding van een directeur. Elke instelling krijgt een instellingsnummer in de instellingendatabank.
Een instelling kan één of meer vestigingsplaatsen hebben. Een vestigingsplaats is een gebouw of gebouwencomplex waarin de instelling, geheel of gedeeltelijk, gehuisvest is. Een vestigingsplaats wordt gekenmerkt door een geografische locatie. Vestigingsplaatsen van verschillende instellingen kunnen dezelfde geografische locatie delen. Elke vestigingsplaats is echter een unieke combinatie van een deel van een instelling en een geografische locatie. De vestigingsplaats krijgt naast een instellingsnummer ook een intern volgnummer dat verwijst naar de locatie. Het instellingsnummer in combinatie met het intern volgnummer van de vestigingsplaats geeft een unieke code voor elke vestigingsplaats.
De inschrijving van elke leerling in elk schooljaar op een bepaald telmoment is exclusief gekoppeld aan 1 vestigingsplaats.
Personeelsleden en omkadering worden gekoppeld aan instellingen. De DataWijzer gewoon basisonderwijs neemt alle gevalideerde leerlingengegevens mee van leerlingen in het gewoon basisonderwijs van teldatum 1 februari voor alle volledig afgesloten schooljaren en van de meeste recente en gevalideerde teldatum voor het lopende schooljaar. Er wordt steeds een verleden van 6 schooljaren (7 schooljaren inclusief het huidige) meegenomen om een loopbaan/modeltraject van een leerling in een bepaald onderwijsniveau zo volledig mogelijk in beeld te kunnen brengen. Voor personeel en omkadering proberen we voor dezelfde periode de data in beeld te brengen.
Een UNIT is een unie van vestigingsplaatsen waartussen (nu of in het verleden) significante leerlingenstroom bestaat. Het is meestal een 3- of 6-jarige structuur, respectievelijk voor UNITS kleuteronderwijs en UNITS lager onderwijs. Significante leerlingenstroom ontstaat wanneer aan 1 van onderstaande voorwaarden is voldaan:
- Na een bepaald schooljaar (tot 6 jaar geleden) gaat minstens 70% (met een minimum van 10) van het totaal aantal leerlingen naar één welbepaalde andere vestigingsplaats.
- Vanuit een bepaald leerjaar gaan - over de laatste 6 schooljaren samen - minstens 50% (met een minimum van 10) van de leerlingen naar één welbepaalde andere vestigingsplaats.

Voorgaande voorwaarden worden versoepeld als het gaat om vestigingsplaatsen die:
- Op hetzelfde adres gelegen zijn
- Onder hetzelfde bestuur/instellingsnummer vallen
Vanuit het optimaliseren van de ontwikkeling van de lerende is het interessant om UNITS als geheel te bekijken. Het zijn datagewijs de ideale basis voor analyse en vergelijking van variabelen.
Door op het HOME-dashboard UNITS te combineren en door vestigingsplaatsen van UNITS uit te sluiten, krijgt de gebruiker maximale vrijheid om de 'eigen' school samen te stellen. De gebruiker krijgt dus data te zien die betrekking hebben op de SCHOOL, zoals ze wordt afgebakend door de gebruiker. Deze data kan worden gepositioneerd ten opzichte van andere UNITS. Voor de meeste variabelen die betrekking hebben op leerlingen kunnen de gegevens tot op het niveau administratieve groep in beeld gebracht worden.
Toegang tot de DUMMY-school¶
Linkt voor toegang BaO: Dummy school bao
Volledig scherm gebruiken¶
Gebruik steeds het knopje Full Screen dat rechts onderaan het scherm te vinden is om de schermgrootte optimaal te benutten en alle beelden passend weer te geven. ![]()
Lege dashboards¶
De dashboards die tot doel hebben om de school te positioneren ten opzichte van (een selectie van) andere scholen (Distributie, Relatieprofiel, Boxplotpagina), starten leeg. De gebruiker moet allereerst een bewuste keuze maken voor een onderwijsniveau, zodat vergelijkingen op een zo objectief mogelijke manier gebeuren. Daarna kan er verder gefilterd worden op leerjaar. Deze instelling zorgt er ook voor dat de dashboards minder laadtijd vragen.
Dashboards¶
Dit onderdeel geeft een beknopt overzicht van de verschillende dashboards en hun belangrijkste doelstellingen. We lichten per dashboard de kernindicatoren, doelgroep en typische gebruikssituaties toe, zodat je snel het juiste overzicht vindt.
Home¶
Icoon: 
Na aanmelden kom je op de HOME-pagina terecht. Op de HOME-pagina is het de bedoeling om een (of meerdere) UNIT(S) te selecteren. Kleuter- en Lager onderwijs behoren steeds tot een verschillende UNIT. Van deze UNIT(S) kan je daarna een of meerdere vestigingsplaatsen uitsluiten voor verdere analyse in de DataWijzer. De data van de uiteindelijk geselecteerde vestigingsplaatsen zullen geaggregeerd weergegeven worden in andere schermen.

Uitgelicht¶
Icoon: 
De Vlaamse Onderwijsinspectie wil vanuit een meta-analyse van data opvallende trends delen met onderwijsprofessionals. Hierbij is een trend een waarneembare ontwikkeling die over een langere periode een duidelijke correlatie geeft tussen variabelen. De correlatie doet geen uitspraak over het OORZAKELIJK VERBAND tussen de variabelen. Om die reden wordt er in de toelichting een MOGELIJKE verklaring aangereikt. Deze verklaring kan het uitgangspunt vormen voor een debat en om samen kennis te ontwikkelen. Hebt u zelf ook een idee voor een meta-analyse? datateam@onderwijsinspectie.be
Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Volgt de school de Vlaamse trend?
- In welke mate wel/niet?
- Is dit een recent fenomeen, of heeft dit steeds bestaan?
OKI-profiel¶
Icoon: 
Het OKI-profiel geeft per onderwijsniveau (Kleuteronderwijs of Lager Onderwijs) een overzicht van de positionering van de geselecteerde UNIT ten opzichte van alle andere UNITS in Vlaanderen voor wat betreft de OKI-aantikkers. Per onderwijsniveau wordt heel Vlaanderen onderverdeeld in een aantal OKI-clusters. Hierdoor ontstaan 7 groepen van UNITS, waarbij UNITS in eenzelfde cluster maximaal vergelijkbaar zijn voor de gemiddelde OKI-waarde én de onderliggende waarden voor de 4 OKI-aantikkers. Van alle OKI-clusters kan je de gemiddelde waarde voor de OKI en de 4 OKI-aantikkers terugvinden in een tabel. De knop om te positioneren geeft aan tot welke cluster het geselecteerde onderwijsniveau van de UNIT behoort. Als je in andere beelden de filter instelt op deze cluster, zal je een vergelijking (positionering) krijgen ten opzichte van OKI-vergelijkbare UNITS.

Mogelijke vragen bij het dashboard:
- onderwijsniveau?
- Geldt deze cluster voor de gehele school?
- Wat zijn de (gemiddelde) kenmerken van deze cluster?
- Welke OKI-positie neemt de school in Vlaanderen?
- Hoe verschillen de posities van de verschillende aantikkers?
- Verandert de positie indien je enkel vergelijkt binnen de onderwijszone?
Hoofddashboard¶
Icoon: 
De structuur van de DataWijzers is maximaal afgestemd op de rubrieken in het referentiekader OnderwijsKwaliteit (OK). Meer info over het OK is te vinden op de website https://mijnschoolisok.be/professionals/
In het hoofddashboard kunnen mogelijke linken tussen variabelen worden ontdekt. Er wordt telkens een evolutie getoond over verschillende schooljaren.
In het HOOFD-dashboard worden alle verschillende variabelen in samenhang in beeld gebracht. Deze variabelen worden niet tot op de fijnste eenheid getoond, maar op een bepaalde manier geaggregeerd. Op die manier wordt het mogelijk om crosslinks tussen bepaalde variabelen te bestuderen. Per variabele worden de data getoond die betrekking hebben op het huidige schooljaar en wordt eveneens een evolutie over de schooljaren heen getoond (elke lijn bij een evolutie heeft een onafhankelijk verticaal bereik om verandering maximaal in beeld te brengen) zodat eventuele trends en trendbreuken duidelijk worden.
In de tooltip worden steeds zowel de absolute cijfers als de percentages vermeld.
Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Hangen de waarden van bepaalde variabelen mogelijks samen met andere variabelen?
- Zijn er voor bepaalde variabelen trends of trendbreuken die opvallen? Zijn hier mogelijke verklaringen voor?
Relatieprofiel¶
Icoon: 
Het relatieprofiel visualiseert de relatie tussen de (gemiddelde) waarde van 2 variabelen van een school en positioneert deze ten opzichte van andere UNITS. Je kan zowel de variabele kiezen die moet worden weergegeven op de horizontale as, als de variabele die moet worden weergegeven op de verticale as. Indien voor een bepaalde combinatie van variabelen een patroon ontstaat, kan nagaan of de school deze trend al dan niet volgt. Zoals steeds, volgt uit een relatie niet noodzakelijk een oorzakelijk verband. In het relatieprofiel wordt telkens ook een trendlijn getekend. De ‘R-squared’ van de trendlijn (die in de tooltip staat), geeft een indicatie van de voorspellende waarde van de trendlijn. R-squared-waarden die in de buurt of hoger dan 0,5 liggen, wijzen op een relatief sterke relatie tussen de geselecteerde variabelen.
Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Voor welke combinaties van variabelen bevindt de school zich ‘buiten de wolk?
- Aan welke kant van de trendlijn?
Boxplotprofiel¶
Icoon: 
Welke variabelen van de school wijken significant af ten opzichte van andere UNITS in Vlaanderen? Het boxplotprofiel geeft in 1 dashboard het overzicht, waarbij je via de filterinstellingen de groep en de referentiegroep kan bepalen. De positie van de groep in de boxplot laat toe om per variabele snel een uitspraak te doen over het (uitzonderlijk) hoog, (uitzonderlijk) laag of mediaan zijn van de waarde van deze variabele. Enkel leerlingengroepen met in totaal meer dan 10 leerlingen worden getoond in de BOXPLOTS, omdat uitspraken anders statistisch niet relevant zijn.
Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Verandert de uitspraak voor de school (relatief hoog, laag, mediaan…) als een andere referentiegroep wordt gekozen?
- Is er evolutie in de tijd?
Distributie¶
Icoon: 
Om het mogelijk te maken voor een UNIT om een relatieve identiteit op te bouwen en een beeld te vormen hoe de eigen waarden van een bepaalde variabele zich verhouden ten opzichte van dezelfde variabele van andere UNITS, wordt een distributie gebruikt. Een distributie toont voor een bepaalde variabele en een bepaalde doelgroep de vergelijking tussen de schooleigen waarden en die van andere UNITS.
Distributies bestaan uit 3 elementen:
- SORTERING - ordening van (leerlingengroepen van) UNITS volgens de waarde van een variabele. Elke UNIT wordt weergegeven als een verticale staaf. De lengte van de staaf vertegenwoordigt het aantal of aandeel leerlingen.
- POSITIONERING – zichtbaar maken van de plaats van een bepaalde UNIT in een sortering. Door op de knop positionering te klikken wordt de staaf van de eigen UNIT opgelicht. Op die manier wordt de positie in de sortering zichtbaar en wordt het duidelijk of het een UNIT is met eerder een kleiner, gemiddeld of groter aantal of aandeel.
- BOXPLOT- specifieke sortering waarbij verschillende referentiewaarden weergegeven worden zoals de mediaan en de kwartielen. In de box bevindt zich de helft van de UNITS.
Elke UNIT wordt weergegeven door een bolletje. De bolletjes worden gesorteerd volgens de waarde van de variabele. In de box is er een donker gekleurde zone waarin de UNITS zich bevinden met een waarde die kleiner is dan de mediaan. In de box is er een lichter gekleurde zone waarin de UNITS zich bevinden met een waarde groter dan de mediaan. De ‘mediaan UNIT’ bevindt zich op de overgang van licht naar donker. Ook hier kan worden gepositioneerd.
Je kan eventueel de doelgroep nog verder verfijnen, de gebruiker heeft hier zelf de regie in handen en kan aan de hand van de filtermogelijkheden de meest gepaste vergelijking maken.
Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Hoe veranderen de distributie en de positionering als ik het beeld beperk tot de betreffende OKI-cluster?
Detail¶
Icoon: 
Elke variabele kan tot op het fijnste niveau (de administratieve groep) en voor de verschillende schooljaren bekeken worden. Via de tooltip wordt ook een referentiewaarde (Vlaams gemiddelde) getoond voor dezelfde groep en voor dezelfde tijdsspanne.
In het detailbeeld kan het - gezien de granulariteit van het beeld - gebeuren dat er zeer kleine groepen ontstaan. Generaliserende uitspraken zijn in dat geval niet aan de orde.
Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Zijn er leerlingengroepen (bijvoorbeeld leerjaren) te vinden die zich (systematisch) anders gedragen voor een bepaalde variabele?
Flow¶
Icoon: 
Via het Mondriaan-icoontje kom je op het FLOW-dashboard waarbij je de variabele die in beeld moet komen kan instellen.

Elke leerling wordt voorgesteld door een rechthoek: Elke leerling in een bepaald schooljaar (verticaal) en bepaald leerjaar (horizontaal) wordt voorgesteld door een rechthoek. In een bepaald leerjaar en een bepaald schooljaar heeft elke rechthoek dezelfde grootte. De kleur van een rechthoek geeft de categorische waarde weer van die leerling ten opzichte van de bestudeerde variabele (volgens legende). Op die manier ontstaat een visual die de verspreiding van de categorieën van een bepaalde variabele voor 6 schooljaren en over alle leerjaren heen toont tot op het niveau van elke leerling in de geselecteerde UNIT(S). In de tooltip bij elke leerling staat nog extra informatie. In een bepaald schooljaar en een bepaald leerjaar kan de groep leerlingen nog verder onderverdeeld zijn. De verschillende subgroepen zijn te onderscheiden door de witruimte. Op die manier is het mogelijk om binnen een bepaald leerjaar in een bepaald schooljaar de leerlingen te herkennen van bijvoorbeeld een bepaalde administratieve groep of een bepaalde vestigingsplaats.
Door een selectie te maken van een of meerdere leerlingen in een bepaald leerjaar en een bepaald schooljaar (die een groep of subgroep vormen, die een bepaalde categorische waarden hebben) wordt de stroom van deze leerling(en) zichtbaar in het volledige beeld. Er verschijnt ook een analysevenster dat de absolute aantallen geeft van de geselecteerde leerlingen per schooljaar en per leerjaar. Op die manier kan worden ontdekt of leerlingen een modeltraject afleggen (diagonaal) dan wel vertraging oplopen (afwijkend van de diagonaal). Het analysevenster geeft de absolute retentiviteit van een groep leerlingen in DEZELFDE UNIT.

Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Zijn er bepaalde leerlingenkenmerken die systematisch (patroon over verschillende jaren heen) samenhangen met vertraging en/of uitschrijving uit de school?
Diversiteit¶
Icoon: 
Door in een bepaald schooljaar en onderwijsniveau te kiezen voor 1 of meerdere administratieve groepen en leeftijden kan de diversiteit van een groep leerlingen die samen leren zo goed mogelijk in beeld gebracht worden.
Net zoals in de FLOW kan je hier een groep van leerlingen selecteren en worden deze leerlingen in het volledige beeld zichtbaar gemaakt. Op deze manier kan je ontdekken hoe/of binnen een bepaalde groep variabelen met elkaar in relatie staan.
De variabele ‘tikt aan voor schooltoelage’ is niet selecteerbaar in de diversiteitskaart, omwille van stapeling van variabelen.
Mogelijke vragen bij het dashboard:
- Welke leerlingen leren samen?
- Zijn er bepaalde kenmerken die opvallen en waar we mee aan de slag kunnen om een proactieve aanpak/begeleiding uit te stippelen?
Variabelen¶
Dit onderdeel beschrijft de gebruikte variabelen en hoe deze zijn gebruikt voor de distributies.
Omkadering¶
We brengen de volledige toegekende omkadering in beeld van iedere instelling die betrokken is bij de gemaakte selectie in het homedashboard, uitgezonderd deze voor levensbeschouwelijke vakken. Klik op het blauwe vierkantje van het instellingsnummer waarvoor je de omkadering (of andere instellingskenmerken) in beeld wil brengen.
Omkadering wordt weergegeven in de categorieën ambten, lesuren punten en uren. Voor elk van deze eenheden wordt per schooljaar het aantal voor de geselecteerde instelling weergegeven
Personeel¶
We brengen hier het aantal personeelsleden van alle categorieën in beeld, ongeacht de omvang van hun opdracht. De getoonde aantallen zijn op het instellingsniveau. Alle instellingen die betrokken zijn bij de selectie van units in het hoofddashboard worden getoond.
We nemen elk uniek personeelslid mee dat een opdracht heeft binnen een instelling, in een bepaald schooljaar, ongeacht de omvang van hun opdracht. We filteren bijkomend op ‘effectief personeelslid’ waardoor een personeelslid dat binnen een referentieperiode onvoldoende aanwezig (minder dan 3 maanden) is, niet wordt meegeteld. Dus vervangers zullen ook enkel verschijnen als ze langer dan 3 maanden op een volledig schooljaar een opdracht hebben in de school in de desbetreffende categorie. Dit hoeft niet ter vervanging van hetzelfde personeelslid te zijn en ook niet aaneensluitend.
Het kan zijn dat personeelsleden meerdere keren geteld worden als ze binnen dezelfde instelling een opdracht opnemen in verschillende categorieën.
De ambten zijn ingedeeld in verschillende personeelscategorieën: administratief, bestuurs- en onderwijzend, opvoedend hulp, meester-, vak- en dienstpersoneel.
Een aantal voorbeelden van ambten per personeelscategorie:
- Bestuurs- en onderwijzend personeel: directeur, technisch adviseur, kleuteronderwijzer, onderwijzer, leraar, leraar algemene en sociale vorming, lector
- Beleids- en ondersteunend personeel: zorgcoördinator, ICT-coördinator, administratief medewerker
- Ondersteunend personeel: opvoeder, administratief medewerker
- Opvoedend hulppersoneel: studiemeester-opvoeder
- Paramedisch personeel: kinderverzorger, verpleger, logopedist
- Sociaal personeel: maatschappelijk werker
- Medisch personeel: arts
- Orthopedagogisch personeel: orthopedagoog
- Psychologisch personeel: psycholoog
- Technisch personeel (CLB): arts, psychopedagogisch consulent, paramedisch werker
Directie(wissels)¶
De personeelsleden die geregistreerd staan onder het ambt ‘directeur’ worden hier per schooljaar weergegeven. Elke rij representeert een uniek rijksregisternummer.
Inschrijvingen¶
De variabele “inschrijvingen” geeft de waarde van alle actieve inschrijvingen op het fotomoment 1 februari van het getoonde schooljaar, uitgezonderd voor het meest recente schooljaar waarbij afhankelijk van het moment van het raadplegen van de datawijzer het fotomoment 1 oktober of 1 februari geldt. In sommige dashboards worden de inschrijvingen verder onderverdeeld in leeftijdscategorieën.
De leeftijd wordt als volgt berekend: eerste lid van het schooljaar - geboortejaar. Bijvoorbeeld: een leerling die zich in het schooljaar 2024-2025 inschrijft in het basisonderwijs en die geboren is in 2015 heeft een leeftijd van 9 jaar.
OKI¶
De Onderwijs Kansarmoede Indicator (OKI) is een getal tussen 0 en 4. Het is een samengestelde maat om een idee te krijgen van het sociaal profiel van een persoon. Dit getal is het aantal indicators voor kansarmoede (schooltoelage, buurt met schoolachterstand, opleidingsniveau moeder, thuistaal) waarvoor een persoon aantikt.
- Een leerling tikt aan voor thuistaal als de taal die de leerling meestal spreekt in het gezin niet de onderwijstaal is. De taal die de leerling in het gezin spreekt is niet de onderwijstaal indien de leerling in het gezin met niemand of in een gezin met drie gezinsleden (de leerling niet meegerekend) met maximum één gezinslid de onderwijstaal spreekt. Broers en zussen worden als één gezinslid beschouwd.
- Een leerling tikt aan voor het opleidingsniveau van de moeder als de moeder niet in het bezit is van een diploma van het secundair onderwijs of van een getuigschrift van het tweede leerjaar van de derde graad van het beroepssecundair onderwijs of van een daarmee gelijkwaardig studiebewijs. Als het opleidingsniveau niet gekend is, tikt de leerling hier niet op aan. De bron van deze gegevens is de verklaring op eer die de ouders invullen.
- Op basis van zijn of haar woonplaats kan er aan elke leerling een “Percentage 15-jarigen in de buurt waar de leerling woont met minstens 2 jaar schoolse vertraging” gelinkt worden. Na rangschikking van alle leerlingen uit het basis- en het secundair onderwijs op basis van dit kenmerk, worden enkel die leerlingen in het hoogste kwartiel beschouwd als leerlingen die in een buurt met hoge mate van schoolse vertraging wonen. Dit betekent dat 25% van alle leerlingen zal aantikken op dit kenmerk buurt. De bepaling gebeurt apart voor basis- en secundair onderwijs. Een buurt is in Vlaanderen een statistische sector en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een fusiegemeente.
- Een leerling scoort op de indicator schooltoelage als hij/zij in aanmerking komt voor een schooltoelage (via het Vlaamse Groeipakketdecreet). In bepaalde gevallen kan een leerling zijn recht op schooltoelage “verliezen” bv. bij veelvuldig spijbelen. Dit heeft geen invloed op de indicator. Zelfs als een leerling omwille van pedagogische redenen zijn recht op een studietoelage zou verliezen, blijft hij of zij een risicoleerling.
Het aantal en het aandeel leerlingen weergegeven met 0, 1, 2, 3, 4 of onbekend aantal OKI-kenmerken.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal niet-aantikkers thuistaal / totaal aantal leerlingen waarvan de OKI bekend is
- aantal niet-aantikkers opl moeder / totaal aantal leerlingen waarvan de OKI bekend is
- aantal niet-aantikkers schooltoelage / totaal aantal leerlingen waarvan de OKI bekend is
- aantal niet-aantikkers buurt / totaal aantal leerlingen waarvan de OKI bekend is
- aantal leerlingen die aantikken voor 0 kenmerken/ totaal aantal leerlingen waarvan de OKI bekend is
Instroom¶
Een leerling is een instromer indien deze het vorige schooljaar niet in dezelfde unit was ingeschreven op 1 februari. Een leerling die vorig schooljaar in dezelfde unit was ingeschreven, is geen instromer.
- Een nieuwe instromer is een leerling in het kleuteronderwijs die vorig schooljaar geen inschrijvingen had in het Vlaamse onderwijs.
- Voor niet-leerplichtige kleuters die instromen vanuit een andere unit wordt ook aangegeven in welke hoofdstructuur ze het schooljaar voordien waren ingeschreven. De hoofdstructuren zijn BKO (buitengewoon kleuteronderwijs), BLO (buitengewoon lager onderwijs), GKO (gewoon kleuteronderwijs), GLO (gewoon lager onderwijs), GSO (gewoon secundair onderwijs), BuSO (buitengewoon secundair onderwijs).
- Voor leerplichtige kleuters wordt ook hun status ‘zittenblijven’ toegevoegd.
- Een leerplichtige kleuter die ouder is dan 5 jaar wordt als ‘zittenblijver’ omschreven.
- Leerlingen in GLO die instromen vanuit het KO zijn steeds instromers omdat de units per onderwijsniveau worden samengesteld.
- Voor instromers in GLO wordt de hoofdstructuur van het vorige schooljaar toegevoegd.
- Voor alle leerlingen in GLO wordt de status ‘zittenblijven’ toegevoegd. Deze status geeft aan of de leerling al dan niet vordering maakt ten opzichte van het vorige schooljaar (ongeacht of de leerling al eerder vertraging opliep). In sommige situaties kan de status niet bepaald worden (voor hs buitengewoon) of wordt de status niet meegegeven (voor methode-onderwijs).
- Voor scholen die zich registreerden als methode-onderwijs wordt in het LO geen zittenblijven of schoolse vordering geregistreerd. Hier kan deze variabele (voorlopig) een foutief beeld geven. Door selectie in de FLOW kan wel bepaald worden of de leerlingen in- of uitstromen en (administratief) vorderen.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal ‘geen instromer’ / totaal aantal leerlingen
Uitstroom¶
Een leerling is een uitstromer indien deze het volgende schooljaar niet in dezelfde unit is ingeschreven op 1 februari. Een leerling die volgend schooljaar in dezelfde unit is ingeschreven, is geen uitstromer.
- Voor alle uitstromers wordt aangegeven in welke hoofdstructuur ze het volgende schooljaar ingeschreven zijn. De hoofdstructuren zijn BKO (buitengewoon kleuteronderwijs), BLO (buitengewoon lager onderwijs), GKO (gewoon kleuteronderwijs), GLO (gewoon lager onderwijs), GSO (gewoon secundair onderwijs), BuSO (buitengewoon secundair onderwijs). Een ‘niet gekende hs’ betekent dat de leerling het volgend schooljaar niet meer terug te vinden is in de databanken van het Vlaamse onderwijs.
- Voor alle leerlingen, uitgezonderd de niet-leerplichtige kleuters, wordt hun status zittenblijven van het volgend schooljaar toegevoegd. Deze status geeft aan of de leerling al dan niet volgend schooljaar vordering maakt ten opzichte van het huidige schooljaar (ongeacht of de leerling al eerder vertraging opliep). In sommige situaties kan de status niet bepaald worden (voor hs buitengewoon) of wordt de status niet meegegeven (voor methode-onderwijs).
- Voor scholen die zich registreerden als methode-onderwijs wordt in het LO geen zittenblijven of schoolse vordering geregistreerd. Hier kan deze variabele (voorlopig) een foutief beeld geven. Door selectie in de FLOW kan wel bepaald worden of de leerlingen in- of uitstromen en (administratief) vorderen.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal ‘geen uitstromer’ / totaal aantal leerlingen
Retentiviteit¶
Retentiviteit wordt berekend vanuit de variabele uitstroom. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds de leerlingen die ‘geen uitstromer’ zijn en het volgend schooljaar ‘geen zittenblijver’ zijn en anderzijds de leerlingen die uitstromen en/of zittenblijver zijn in het volgend schooljaar.
Voor KO worden alle leerlingen die ‘geen uitstromer’ zijn meegenomen als ‘geen uitstromer-geen zittenblijver’.
Voor scholen die zich registreerden als methode-onderwijs wordt in het LO geen zittenblijven of schoolse vordering geregistreerd. Hier kan deze variabele (voorlopig) een foutief beeld geven. Door selectie in de FLOW kan wel bepaald worden of de leerlingen in- of uitstromen en (administratief) vorderen.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal ‘geen uitstromer-geen zittenblijver’ / totaal aantal leerlingen
Ongewettigde afwezigheden¶
Bij de ongewettigde afwezigheden wordt het aantal en aandeel leerlingen weergegeven dat ongewettigd afwezig was (spijbelen). De categorieën 0, 1-4, 5-9, 10-19, 20-29, 30+ halve dagen afwezigheid worden hierbij gebruikt.
Afwezigheden die door een school gewettigd worden, worden niet als ongewettigde afwezigheden geregistreerd.
Het aantal halve dagen afwezigheden wordt door een leerling opgebouwd gedurende een schooljaar, ongeacht de school waar ze worden geregistreerd.
Omwille van de afwijkende regelgeving en codes die kunnen gebruikt worden in het ‘KO niet leerplichtig’ en ‘KO leerplichtig’ kunnen deze data niet als gevalideerd beschouwd worden.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen ‘minder dan 10 hd probl afw’ / totaal aantal leerlingen waarvoor de afwezigheid werd geregistreerd
Afwezigheden wegens ziekte¶
Bij de afwezigheden wegens ziekte wordt het aantal en aandeel leerlingen weergegeven dat gewettigd afwezig was. De categorieën 0, 1-4, 5-9, 10-19, 20-29, 30+ halve dagen afwezigheid worden hierbij gebruikt.
Het aantal halve dagen afwezigheden wordt door een leerling opgebouwd gedurende een schooljaar, ongeacht de school waar ze worden geregistreerd.
Omwille van de afwijkende regelgeving en codes die kunnen gebruikt worden in het ‘KO niet leerplichtig’ en ‘KO leerplichtig’ kunnen deze data niet als gevalideerd beschouwd worden.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen ‘minder dan 10 hd afw ziekte’ / totaal aantal leerlingen waarvoor de afwezigheid werd geregistreerd
Studiebewijzen¶
In het basisonderwijs kunnen leerlingen het studiebewijs ‘getuigschrift basisonderwijs’ behalen.
We bepalen van alle leerlingen die het volgende schooljaar de overstap maken naar SO of ze al dan niet een getuigschrift behalen. Deze variabele kan 3 waarden aannemen: ‘getuigschrift BaO’ - ‘geen getuigschrift BaO’ - ‘nvt’. Niet van toepassing wordt gebruikt voor die leerlingen die het volgend schooljaar nog niet de overstap maken naar het SO.
In het hoofddashboard wordt voor alle leerlingen in het zesde leerjaar aangegeven of ze dit studiebewijs behalen of niet. Voor alle andere leerjaren worden enkel de leerlingen in beeld gebracht die het volgende schooljaar de overstap maken naar het secundair onderwijs.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen die een getuigschrift BaO behalen / totaal aantal leerlingen die het volgend schooljaar de overstap maken naar het secundair onderwijsniveau
Deelname SO¶
De variabele ‘deelname SO’ brengt in beeld in welke hoofdstructuur en in welke onderverdeling van deze hoofdstructuur de leerling ingeschreven is in het 1 jaar nadat de overstap werd gemaakt naar het SO. Er zijn 2 mogelijke hoofdstructuren: BuSO en GSO. Voor BuSO wordt ook de opleidingsvorm toegevoegd. Voor GSO worden ook de administratieve groepen 1A, 1B, 2A en 2B expliciet vermeld. Voor BuSO-OV4 worden ook de administratieve groepen 1A en 1B expliciet vermeld. Indien een leerling een overstap maakt naar een ander leerjaar of naar OKAN (GSO) wordt ‘andere’ vermeld.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen die de overstap maken naar GSO-1A / totaal aantal leerlingen die het volgend schooljaar de overstap maken naar GSO-1A of GSO-1B
Studiesucces SO¶
Voor alle leerlingen die de overstap maken naar het secundair onderwijs wordt in de databank van studiebewijzen gecheckt of ze al dan niet een studiebewijs gehaald hebben in het eerste jaar na de overstap.
- Indien de leerling een oriënteringsattest behaalt wordt dit weergegeven.
- Indien voor de leerling geen oriënteringsattest werd geregistreerd maar wel een getuigschrift basisonderwijs dan wordt dit weergegeven.
- Indien voor de leerling geen oriënteringsattest of getuigschrift werd geregistreerd maar er wel een registratie is van een ander studiebewijs of attest wordt dit weergegeven.
- Tot slot zijn er leerlingen die wel de overstap gemaakt hebben naar het secundair onderwijsniveau maar waarvoor geen registratie werd teruggevonden in de databank van de studiebewijzen. Dit wordt weergegeven als ‘niet gekend studiebewijs’.
Bij leerlingen die niet de overstap maakten naar het secundair onderwijsniveau verschijnt ‘nvt’.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen die een oriënteringsattest A zonder beperking, remediëring of advies overzitten behalen (eventueel na een uitgestelde beslissing) / totaal aantal leerlingen die een oriënteringsattest behalen.
Uitschrijvingen¶
Met de variabele uitschrijvingen worden die leerlingen in beeld gebracht die gedurende een bepaald schooljaar een actieve inschrijvingen hadden in de unit maar op 30 juni van datzelfde schooljaar niet meer. Het zijn dus leerlingen die zich gedurende het schooljaar vroegtijdig uitschrijven uit de unit. Bijkomend wordt in beeld gebracht of de leerling al dan niet zijn schooljaar verderzet in een unit in een andere fusiegemeente en al dan niet in een andere administratieve groep. Ook de reden van de uitschrijving (zoals geregistreerd door de instelling) wordt vermeld.
- De mogelijke aanleidingen voor een vroegtijdige uitschrijving:
- Eigen initiatief
- Onbekend
- Ontbinding inschrijving wegens onredelijkheid aanpassingen voor leerling met specifieke onderwijsbehoeften
- Op advies van de school of het CLB
- Overlijden van de leerling
- Tuchtmaatregel
- Uitschrijving van de leerling omwille van langdurige problematische afwezigheid
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen die zich gedurende het schooljaar vroegtijdig uitschrijven / totaal aantal leerlingen met een actieve inschrijving op 1 februari
(Schoolse) vordering¶
Schoolse vordering wordt bepaald door een vergelijking van het leerjaar waarin de leerling is ingeschreven met het leerjaar waarin de leerling op grond van zijn geboortedatum, bij een normale start en bij normale studievoortgang, ingeschreven zou moeten zijn.
De leeftijd wordt als volgt berekend: eerste lid van het schooljaar - geboortejaar.
Bijvoorbeeld: een leerling die zich in het schooljaar 2024-2025 inschrijft in het basisonderwijs en die geboren is in 2015 heeft een leeftijd van 9 jaar.
Voor het kleuteronderwijs zijn er geen leerjaren en kan er geen schoolse vordering worden bepaald. Ook voor een lagere school die geregistreerd staat als methodeschool wordt de variabele vordering ‘uitgeschakeld’. De inschrijving van deze leerlingen werd wel gekoppeld aan een bepaalde administratieve groep maar in werkelijkheid kan op de school een andere indeling gebruikt worden (graadsklassen, leer- of leefgroepen,...).
Voor leerlingen van de lagere school (uitgezonderd methode-onderwijs) kan de schoolse vordering schoolse vertraging, normaal gevorderd of schoolse voorsprong zijn.
Schoolse voorsprong is het aantal leerjaren voorsprong dat een leerling heeft ten opzichte van het leerjaar waarin hij/zij zich normaal zou bevinden als hij/zij op tijd zou starten en normaal zou vorderen.
Schoolse achterstand is het aantal leerjaren achterstand dat een leerling oploopt ten opzichte van het leerjaar waarin hij/zij zich normaal zou bevinden. Dit kan worden veroorzaakt door een verlate instap in het lager onderwijs of andere factoren, zoals zittenblijven.
Voor scholen die zich registreerden als methode-onderwijs wordt in het LO geen zittenblijven of schoolse vordering geregistreerd. Hier kan deze variabele (voorlopig) een foutief beeld geven. Door selectie in de FLOW kan wel bepaald worden of de leerlingen in- of uitstromen en (administratief) vorderen.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen die normaal gevorderd zijn / totaal aantal leerlingen waarvoor schoolse vordering werd geregistreerd.
Nationaliteit¶
OPGELET: niet in het hoofddashboard
De nationaliteit die in de datawijzer verwerkt wordt, is de officiële nationaliteit uit het rijksregister; tenzij deze niet gekend is. In het laatste geval gebruiken we de nationaliteit die de school registreert.
We maken een onderscheid tussen:
- Leerling met nationaliteit Belg
- Leerling die niet de Belgische nationaliteit heeft, maar wel een nationaliteit heeft van een land dat behoort tot de Europese Unie
- Leerling die een nationaliteit heeft van een land dat niet behoort tot de Europese Unie
De officiële nationaliteit is “Belg” als de leerling (ook) Belg is, ook al is er ook nog een andere nationaliteit. Bij registratie door de school kiest de school welke nationaliteit ze doorgeeft in het geval dat een leerling meerdere nationaliteiten heeft.
Voor de distributies (sorteringen en boxplots) werden volgende keuzes gemaakt wat betreft de aandelen (%):
- aantal leerlingen die de nationaliteit ‘Belg’ hebben/ totaal aantal leerlingen waarvoor de nationaliteit werd geregistreerd
Bijlagen¶
Bijlage 1: OKI-referentiegroepen¶
Clustering¶
Principe: Op basis van de gemiddelde OKI-waarde en de gemiddelde waarden van de aantikkers van elke vestigingsplaats, wordt elke vestigingsplaats toegekend aan een cluster van vergelijkbare vestigingsplaatsen. Het is dus logisch dat:
- naarmate de grafiek sneller stijgt, de clusters kleiner worden. De verschillen tussen de vestigingsplaatsen worden dan immers snel groter.
- er geen strikte scheiding is tussen de clusters wat betreft stijgende gemiddelde OKI. Vestigingsplaatsen die min of meer dezelfde gemiddelde OKI hebben kunnen een ander profiel qua onderliggende aantikkers hebben. Bij de clustering wordt hier ook rekening mee gehouden zodat de cluster van vergelijkbare scholen een zo goed mogelijke statistische referentie oplevert.
Bij elke andere variabele kan je de waarde van een bepaalde vestigingsplaats dan vergelijken met alle andere vestigingsplaatsen in Vlaanderen of met enkel die vestigingsplaatsen die tot dezelfde OKI-cluster behoren en/of die vestigingsplaatsen die tot dezelfde onderwijszone behoren.
Het algoritme¶
Het k-mean algoritme zorgt ervoor dat elk punt (vestigingsplaats) in een cluster zo dicht mogelijk bij het centrum van die cluster ligt. Het algoritme werkt als volgt: eerst wordt k (het aantal clusters) vastgelegd. Voor de OKI-clusters hebben we dit na onderzoek vastgelegd op 7. Vervolgens worden de centra van die k clusters willekeurig geïnitialiseerd. Het algoritme gaat daarna door in twee afwisselende stappen. Eerst wijzen we elke vestigingsplaats in de data toe aan de cluster waarvan het centrum het meest nabij is. In de tweede stap herberekenen we de locatie van elk centrum als het gemiddelde (centrum) van alle punten die aan de cluster zijn toegewezen. We herhalen deze stappen vervolgens totdat de centra niet meer van plaats veranderen en de vestigingsplaatsen dus ook niet meer van cluster veranderen. Via deze link kan je een simulatie zien van het K-mean algoritme, via deze link worden de wiskundige vergelijkingen achter het algoritme geduid.
Bijlage 2: Brochure¶


